| 1 Koningen 11:16 | Want Joab bleef aldaar zes maanden, met het ganse Israel, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had. |
| 2 Kronieken 31:16 | (Benevens die gesteld waren in het geslachtsregister der manspersonen, drie jaren oud en daarboven) allen, die in het huis des HEEREN gingen, tot het dagelijkse werk op elken dag, voor hun dienst, in hun wachten, naar hun verdelingen. |
| 2 Kronieken 31:19 | Ook waren onder de kinderen van Aaron, de priesteren, op de velden der voorsteden hunner steden, in elke stad, mannen, die met namen uitgedrukt waren, om aan alle manspersonen onder de priesteren, en aan allen, die in het geslachtsregister onder de Levieten gesteld waren, delen te geven. |
| Ezra 8:3 | Van de kinderen van Sechanja, van de kinderen van Paros, Zacharja; en met hem werden bij geslachtsregisters gerekend, aan manspersonen, honderd en vijftig. |
| Ezra 8:4 | Van de kinderen van Pahath-moab, Eljehoenai, de zoon van Zerahja; en met hem tweehonderd manspersonen. |
| Ezra 8:5 | Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziel; en met hem driehonderd manspersonen. |
| Ezra 8:6 | En van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jonathan; en met hem vijftig manspersonen. |
| Ezra 8:7 | En van de kinderen van Elam, Jesaja, de zoon van Athalja; en met hem zeventig manspersonen. |
| Ezra 8:8 | En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michael; en met hem tachtig manspersonen. |
| Ezra 8:9 | En van de kinderen van Joab, Obadja, de zoon van Jehiel; en met hem tweehonderd en achttien manspersonen. |
| Ezra 8:10 | En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig manspersonen. |
| Ezra 8:11 | En van de kinderen van Babai, Zacharja, de zoon van Bebai; en met hem acht en twintig manspersonen. |
| Ezra 8:12 | En van de kinderen van Azgad, Johanan, de zoon van Katan; en met hem honderd en tien manspersonen. |
| Ezra 8:13 | En van de laatste kinderen van Adonikam, welker namen deze waren: Elifelet, Jehiel, en Semaja; en met hen zestig manspersonen. |
| Ezra 8:14 | En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen. |
| Jesaja 66:7 | Eer zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost. |
| Jeremia 20:15 | Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grotelijks! |
| Jeremia 30:6 | Vraagt toch en ziet, of een manspersoon baart? Waarom zie Ik [dan] eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende [vrouw], en alle aangezichten veranderd in bleekheid? |
| Ezechiel 16:17 | Daartoe hebt gij genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en gij hebt u mansbeelden gemaakt, en gij hebt met dezelve gehoereerd. |
| Maleachi 1:14 | Ja, vervloekt zij de bedrieger, die een mannetje in zijn kudde heeft, en den Heere belooft, en offert, dat verdorven is! want Ik ben een groot Koning, zegt de HEERE der heirscharen, en Mijn Naam is vreselijk onder de heidenen. |